Ga direct naar
Inhoud

Opvoeder moet identificatiefiguur zijn

woensdag 27 mei 2009 12:39 Jongeren in een moderne samenleving zijn gericht op autonomie en hebben weinig met traditie. Voor de geloofsoverdracht is het van groot belang dat opvoeders aanwezig zijn als aanspreekbare en aansprekende christenen waar jongeren zich mee kunnen identificeren. Dat was de strekking van een lezing die ik op 27 mei 2009 hield op een studiemiddag over "Jongeren en geloof – hoe houd je ze bij elkaar?".

Identiteit als proces
Nadenken over de geloofsontwikkeling van christenjongeren kan niet zonder de context daarvan onder ogen te zien. Belangrijk onderdeel van de Nederlandse context is wat genoemd wordt ‘de moderne samenleving’ Kenmerkend voor zo'n samenleving is dat mensen voortdurend zoeken naar wie ze werkelijk zijn: iemands identiteit is nooit af; identiteit is een proces geworden. Mensen in een moderne samenleving zijn vaak ontevreden over zichzelf, zijn uit op consumptie en zijn minder dan vroeger trouw aan vaste patronen, denkbeelden en gemeenschappen.

Een dergelijke context heeft zijn weerslag op het opgroeien van jongeren. Ook de religieuze identiteitsontwikkeling, hoe jongeren zich ontwikkelen in hun geloof, wordt er door gestempeld. Christenjongeren zijn gericht op autonomie en vrijheid, ook op religieus terrein; ze hebben weinig met ‘de traditie’.

Hart van jongeren
Deze hang naar religieuze autonomie en vrijheid kent ook een keerzijde. Christenjongeren hebben onder de oppervlakte in toenemende mate behoefte aan geborgenheid. Onder diezelfde oppervlakte van vrijheid groeit ook de vraag: waar gaat het nu eigenlijk ten diepste om in mijn leven?

Hoe stem je als opvoeder het doorgeven en voorleven van het christelijk geloof af op deze kenmerken? Aan de ene kant wil je als opvoeder de geloofsinhoud, de traditie en bepaalde geloofsopvattingen doorgeven. Ook al heb je oog voor een veranderende context, je wilt iets ”conserveren”, namelijk datgene dat de kern vormt van je bestaansgrond. Aan de andere kant wil je deze traditie en opvattingen ook laten landen in de wereld en het hart van jongeren. Maar de wereld en het hart van jongeren is gericht op autonomie en vrijheid, ook op religieus terrein, en vormt daarmee een directe drempel voor religieuze conservering.

Keerzijde
De geloofsopvoeding moet echter niet in de eerste plaats afgestemd worden op het moderne ideaal van religieuze autonomie. Zij moet vooral afgestemd zijn op de keerzijde van dit ideaal: de sluimerende behoefte aan geborgenheid en zin. Dat brengt tenminste drie uitdagingen met zich mee voor opvoeders in gezin, op school en in de kerk.

In de eerste plaats: hoe voorzien christenen in gezin, school en kerk in een stuk geborgenheid voor jongeren? Hoe worden jongeren voorgegaan in het vinden van geloofszekerheid?
In de tweede plaats: Welke wezenlijke antwoorden worden gegeven op de vraag: waar gaat het nu eigenlijk ten diepste om in mijn leven?
In de derde plaats: Hoe worden de geloofstraditie en de centrale opvattingen en waarden die daarin een rol spelen dienstbaar gemaakt aan het vinden van geborgenheid en zin?

Overlevingsstrategie
Als we naar het veld van kerken en christelijke scholen in Nederland kijken springen in ieder geval twee benaderingen in het oog. Een eerste benadering is de overlevingsstrategie: De ”triangel” van gezin, kerk en school moet verstevigd worden met het oog op de conservering van belangrijke geloofsinhouden en –opvattingen. Zo zijn sommige christelijke scholen zeer actief in het streven naar een maximale homogeniteit tussen de cultuur en regels op school, de leefwereld van de gezinnen uit de achterban en de leer van de in het schoolbestuur vertegenwoordigde kerken.

Een tweede hele andere benadering is de geloofsopvoeding volledig of in zeer grote mate afhankelijk maken van de belevingswereld en cultuur van jongeren: het gaat hier om een “cateraarbenadering”. In dit geval wordt de geloofsopvoeding door ouders, scholen en kerken zoveel mogelijk aan de belevingswereld en cultuur van jongeren aangepast. Fenomenen als jeugdkerken of jeugddiensten die grotendeels losstaan van andere kerkdiensten in de gemeente hebben daar iets van weg.

Beperkingen
Beide benaderingen hebben hun beperkingen. In de overlevingsstrategie schuilt het gevaar van afzondering van de cultuur waarin we leven. Bovendien biedt deze benadering jongeren eerder isolement dan geborgenheid.

In de tweede benadering schuilt het gevaar van ontworteling. De geloofsbeleving en –opvattingen die gekweekt worden hebben uiteindelijk geen bedding meer, niet in een traditie en niet in een bredere gemeenschap van gelovigen. Zo kan het christelijk geloof verworden tot een aller-individueelst geconstrueerde religie. Bovendien laat deze benadering jongeren in de kou staan als het gaat om de vraag naar de ware zin in het leven: je mag het helemaal zelf ontdekken.

Identificatiebenadering
Beide benaderingen hebben echter ook hun sterke kanten. Het bij elkaar brengen van deze sterke kanten brengt mij op een derde benadering, die ik de identificatiebenadering wil noemen. Deze onderstreept enerzijds het waardevolle van de homogeniteit en de conservering van belangrijke geloofsinhouden en –opvattingen uit de overlevingsstrategie. Anderzijds onderkent deze benadering wel de op (geloofs)autonomie gerichte christenjongere als realiteit.

Jongeren zitten midden in de moderne cultuur en wensen zich autonoom te identificeren met personen of opvattingen die zij aansprekend vinden. Christelijke opvoeders zijn er dan ook op gericht om inspirerende identificatiefiguren te zijn voor jongeren: zij proberen nadrukkelijk aanwezig te zijn als aanspreekbare en aansprekende christenen waar jongeren zich aan kunnen identificeren.

Geborgenheid
De identificatiebenadering biedt op tenminste twee van de drie beschreven moderne uitdagingen een antwoord. Met inspirerende voorbeeldfiguren om hen heen wordt jongeren de kans geboden te ontdekken waar het in hun leven ten diepste om mag gaan. Ze kunnen bovendien gewaarworden dat dit geloof niet in de lucht van het hier en nu zweeft maar is geworteld in een geloofstraditie van eeuwen en zichtbaar wordt in gelovigen die ze meemaken thuis, op school en in de kerk.

Maar biedt de identificatiebenadering ook geborgenheid? Je kunt er niet omheen dat de triangel van kerk, gezin en school onderhevig is geweest aan modernisering en als gevolg daarvan ‘gebroken’ is. Geborgenheid vind je in een gemeenschap. De identificatiebenadering kan verstaan worden als het best haalbare in deze ”gebroken staat”.

Ontwerpvraag
De vraag is hoe dit ‘gat’ kan worden opgevuld. Van de moderne samenleving wordt vaak gesteld dat het een netwerksamenleving is. Is het einde van de (moderne) zaak een netwerkchristendom of kunnen andersoortige gemeenschappen worden gevormd waarin jongeren geborgenheid vinden? Deze ”ontwerpvraag” is een belangrijk vraagstuk voor professionals die zich inzetten voor de vorming van de huidige en volgende generaties christenjongeren.

Met diverse betrokkenen bij jongeren in kerk, onderwijs en jongerenonderzoek heb ik hierover van gedachten gewisseld. Dit leverde een aantal belangrijke aandachtspunten op. Ik zet ze tot slot op een rij.

De leer
1. In de identificatiebenadering staat aansluiten op de leefwereld van jongeren centraal. Het leven van de jongeren wordt als uitgangspunt genomen voor de geloofsopvoeding, meer dan de leer. De leer mag echter ook een belangrijke plaats innemen bij de geloofsopvoeding. Dit moet dan wel een leer zijn die door de Geest van God geïnspireerd is en die als een tegenover van de huidige cultuur de Geest de ruimte biedt om herscheppend op de tijdgeest in te werken.

2. Met de aanduiding ”overlevingsstrategie” wil ik niet suggereren dat waar de banden tussen kerk, school en christelijke gezinnen nog intact zijn een onwenselijke situatie zou zijn. Wat ik er wel mee wil zeggen is dat de triangel- of zuilgedachte in de huidige tijd duidelijke gevaren heeft. Tegelijkertijd zou ik willen zeggen dat er wel nadruk moet blijven liggen op de norm die de zuil altijd heeft voorgestaan: onderlinge zorg en vertrouwen. Dit is wezenlijk voor bijvoorbeeld het christelijk onderwijs. Belangrijke geloofsinhouden en –opvattingen moeten levend gehouden worden, deze maken deel uit van de ziel, de identiteit van de school. Deze identiteit van de school mag echter niet privaat worden. De school mag ook een dienst aan de wereld zijn.

Ook de opvoeders
3. Mijn analyse van de moderniteit legt sterk de nadruk op processen van individualisering. Er zijn echter ook processen van de-individualisering te zien. (Religieuze) gemeenschappen om jongeren heen zijn niet alleen maar aan het verdwijnen maar krijgen soms een andere gestalte. Voorbeelden zijn ontmoetingen van jongeren op internet of op festivals. In deze gemeenschappen is ook sprake van een zekere religieuze autoriteit. Deze is echter niet gelegen in de institutie (de kerk, de dominee) maar is veel meer intersubjectief bepaald. De autoriteit is besloten in het religieuze debat onder jongeren en de gemeenschappelijke taal die daarin wordt gesproken en één of een klein aantal religieuze voorbeeldfiguren die populair zijn onder jongeren in deze gemeenschap. Of deze alternatieve gemeenschappen van christenjongeren in alle gevallen de gemeenschappen zijn waar christenjongeren mee gediend zijn is mijns inziens sterk de vraag.

4. Bij de analyse van de geloofsopvoeding van jongeren gaat de aandacht al snel uit naar de jongeren maar we moeten de geloofsopvoeders natuurlijk ook niet vergeten. Ook de vormende personen om jongeren heen zijn door en door modern. Ook opvoeders hebben toerusting en ontmoetingsplekken nodig om zich te laten inspireren bij hun taak om de geloofsopvoeding niet in de eerste plaats af te stemmen op het moderne ideaal van religieuze autonomie maar vooral op de keerzijde van dit ideaal: de sluimerende behoefte aan geborgenheid en zin.

Jos de Kock | 27 mei 2009

«Terug

Share |

Archief > 2012

mei

april

maart

februari

januari





Snelkoppelingen