Onderzoek in het onderwijs
Onderzoek in het onderwijs – de lusten en de lasten
Els van ’t Spijker-Kleingeld
Docent Duits in het voortgezet onderwijs en student in de master Leren & Innoveren
Naar aanleiding van:
De onderzoeksmodule Intuïtie & Ratio: Innovatie en onderzoek ontwerpen en uitvoeren. Docent: drs. J. Kaldeway, Christelijke Hogeschool Ede.
Mensen die buiten het onderwijs staan kijken er misschien vreemd tegenaan: de overheid trekt tientallen miljoenen Euro uit om leerkrachten te laten studeren en onderzoeken. Leraren: waren dat niet die mensen die met 25 uur per week een fulltime baan hebben, 12 weken vakantie in een jaar krijgen en dan nog altijd klagen over werkdruk? Vallen die niet zo vaak uit, dat leerlingen geen 1040 uren les kunnen krijgen per jaar? Moet nu uitgerekend deze groep mensen in crisistijd zoveel geld toegestopt krijgen om uit liefhebberij lekker te kunnen studeren en onderzoek te doen? Dat zouden we allemaal wel willen!
nuanceren
Het bovenstaande valt natuurlijk allereerst wel wat te nuanceren. De uren die een leraar voor de klas staat maken slechts 38% van de werktijd van de leerkracht uit. Daarnaast besteden ze 20% aan lesgebonden taken (correctiewerk, voorbereiding, verdieping in de lesstof) en maar liefst 42% aan niet-lesgebonden taken, zoals vergaderingen en administratie. Een werkweek bestaat op die manier uit gemiddeld 43 uur voor een voltijd leerkracht (zie ook Didaktief nr. 5, mei 2009). De vakanties compenseren deze lange werkweken. Wil de leerkracht naast het werk kunnen studeren, dan zal daar dus tijd voor vrij gemaakt worden en zal het voor de leerkracht aantrekkelijk moeten zijn om die vrije tijd te investeren in onderzoek op het gebied van – jawel – het werk. Het is niet mogelijk om een leerkracht bovenop de 24 uur die een etmaal heeft nog wat tijd te geven om onderzoek te doen of te studeren. Het is wel mogelijk om de drempel van de studiekosten weg te nemen door een financiële ondersteuning en daarnaast studietijd te faciliteren door de werkgever geld te geven om de studerende werknemer studieverlof te verlenen. Mooie bijkomstigheid is dat de werkgever betrokken raakt bij de studie. Als hij de werknemer in staat stelt te studeren wil hij natuurlijk ook wel resultaat zien.
voorliefde en noodzakelijk kwaad
Hiermee is nog niet de vraag beantwoord waarom onderwijspersoneel moet studeren en onderzoeken. Een bloemist is er immers ook bij gebaat dat zijn werknemers zich bijscholen. Waarom financiert de overheid de leerkrachten wel en de middenstanders niet? Onderwijs is – helaas voor de bloemisten – van groter maatschappelijk belang. Generatie na generatie jongeren brengt 12 jaar van de jeugd door in ‘het onderwijs’. Op school worden mensen gevormd om zich zelfstandig te kunnen redden in de maatschappij. Ze leren vaardigheden voor het beroep, maar ook vele sociale vaardigheden. Niet voor niets krijgt de school er steeds meer taken bij als het gaat om de sociale vorming van leerlingen: er is aandacht voor groepsgedrag, voor psychische stoornissen, een maatschappelijke stage moet leerlingen voorbereiden op de beroepspraktijk, proefstuderen moet leerlingen voorbereiden op de vervolgopleiding. Leraren dragen vakkennis over, maar zijn ook persoonlijk begeleider, ADHD-specialist, politieagent, uitvoerder van het ministerieel beleid, administrateur en nog veel meer. En dat terwijl de meeste leraren aan hun taak beginnen omdat ze een grote voorliefde voor hun vak hebben en dat aan volgende generaties willen overbrengen. De rest is een noodzakelijk kwaad…
Dat noodzakelijke kwaad is er wel vaak de oorzaak van dat leerkrachten afknappen. Het lerarentekort is een zodanig belangrijke kwestie dat het ministerie van OCW in 2003 een leerstoel heeft ingericht die zich bezighoudt met het lerarentekort. Op de website van datzelfde ministerie is te vinden dat het lerarentekort in 2011 opgelopen zal zijn tot 7700 voltijdbanen in het primair en 10.500 voltijdbanen in het voortgezet onderwijs. De onderwijsinspectie concludeerde in haar verslag in 2001 dat het lerarentekort een oorzaak is van slechte prestaties van scholen. Niet alleen een school moet alles in het werk stellen om haar personeel te behouden, ook de overheid moet zich hierin mengen en alles in het werk stellen om onderwijspersoneel aan de scholen te houden.
Op zoek naar oorzaken
Iedereen in het onderwijs stuit in de praktijk van alledag op problemen en moeilijkheden. Er zijn meerdere manieren om hiermee om te gaan: 1. je accepteert het feit dat er een probleem is en je past je manier van omgaan erop aan; 2. je stoort je aan het probleem, je weet niet hoe je er mee om moet gaan en blijft je eraan ergeren: of 3. je gaat op zoek naar de oorzaken om het probleem goed te kunnen aanpakken en uit de wereld te helpen. Optie 3 is wat mij betreft onderzoek in het onderwijs. Het voordeel van het onderzoeken van oorzaken van problemen is dat het de mogelijkheid biedt tot het aanpakken van de oorzaken van lastige verschijnselen. Het onderwijs kenmerkt zich immers mijns inziens vaak tot symptoombestrijding. Een voorbeeld: Een leerling scoort laag vanwege dyslexie? Oké, de docent geeft er wel een punt bij… Het is echter ook mogelijk om te (laten) onderzoeken welke invloed de dyslexie van deze leerling heeft op datgene wat er in de toets gevraagd werd en om richtlijnen voor docenten op te stellen, hoe zij in het geval van deze leerling toetsen moeten nakijken. Dat proces duurt langer maar geeft docenten wellicht betere handvatten om rekening te houden met de beperkingen van de leerling en bovendien een rechtvaardig cijfer toe te kennen voor datgene wat getoetst wordt.
Een ander voorbeeld: uit oogpunt van concurrentie met de twee andere plaatselijke scholengemeenschappen overweegt een middelbare school tweetalig onderwijs aan te bieden. Er wordt gepeild onder het personeel wie dit een goed idee vindt. De uitkomst is dat 20% van het onderwijzend personeel wel iets ziet in tweetalig onderwijs, maar niet iedereen van deze 20% geeft een vak dat in aanmerking komt voor een tweetalige versie. Is het draagvlak dan groot genoeg om TTO te gaan inzetten? De korte inventarisatie onder het personeel en een peiling onder ouders van aankomende brugklasleerlingen met de vraag of zij deze school voor hun kind zouden overwegen als er TTO aangeboden werd, is nauwelijks onderzoek te noemen. Het zou zinvol zijn om breder te kijken naar het rendement van TTO op scholen die het al enige jaren toepassen, naar de scholing die nodig is voor het personeel, naar wat het de leerlingen oplevert in het hoger onderwijs en of ze daar echt een voorsprong hebben op medestudenten die geen TTO hebben genoten, alvorens deze toch niet geringe verandering de school in te brengen.
adviesbureau
Dit zijn waarschijnlijk voorbeelden van onderzoek waar de wetenschappelijk medewerker van de universiteit zijn neus voor optrekt, maar die wel degelijk onder de noemer ‘onderzoek’ mogen vallen. Hoe vaak wordt er niet expertise van buiten de school ingehuurd om een probleem uit te pluizen en met voorstellen te komen voor de aanpak, terwijl de leerkrachten hier niets mee kunnen omdat het niet in de praktijk te brengen is. Laat de mensen vanuit de school de problemen aanpakken die ze in hun school tegenkomen, zodat er praktijkgerelateerde oplossingen voor geformuleerd kunnen worden. Bovendien werkt dit twee richtingen uit: de mensen die graag oplossingsgericht te werk willen gaan hoeven het onderwijs niet uit, ze kunnen vanaf hun plek in de school aan de slag in plaats van dat ze een plek bij een adviesbureau moeten zoeken.
Met het stimuleren van studie en onderzoek slaat de overheid eigenlijk twee vliegen in één klap: de intellectuele capaciteiten van de docenten worden uitgedaagd en het onderzoek levert wellicht waardevolle inzichten in de oorzaken van onder andere het lerarentekort op. Deze kunnen dan weer doeltreffender te lijf gegaan worden. Het cirkeltje wordt rond als vervolgens onderzocht wordt of de maatregelen het gewenste effect hebben gehad. De intellectuele uitdaging van de leerkracht acht ik echter belangrijker. Wil de overheid het (in internationale vergelijking) hoge niveau van het Nederlandse voortgezet onderwijs vasthouden, dan zullen er meer goed opgeleide mensen voor de klas moeten komen. Voor een academicus is lesgeven vaak een groot sociaal experiment, maar intellectueel niet erg uitdagend. Gebruik de onderzoekende houding van hoogopgeleide docenten om een opwaartse spiraal te creëren die het onderwijs van ‘goed’ naar ‘steeds beter’ brengt.
keurslijf
Niet iedere leerkracht is even hoog opgeleid, niet iedere docent is even onderzoekend ingesteld. Dat verschil moet gerespecteerd worden. Onderwijs is tenslotte mensenwerk, leerlingen zijn niet in een keurslijf te persen en datzelfde geldt voor docenten. Onderzoek doen is niet voor iedereen een leuke bezigheid en niet iedereen is er goed in. Het lijkt me dan ook niet zinvol om onderwijspersoneel te verplichten om onderzoek te doen. Scholing maakt tegenwoordig deel uit van de jaartaak en dat is zeer verstandig. Ik vind het goed dat leerkrachten de stand van zaken op hun vakgebied, maar ook op het gebied van psychologische en pedagogische ontwikkelingen bijhouden. Hier mag ook best een aardig niveau van scholing verlangd worden. Het doen van onderzoek echter is mijns inziens een tak van sport die niet voor iedereen is weggelegd.
Het zou prachtig zijn als het onderzoek van een leerkracht op school een olievlekwerking heeft. Daarbij komt het er niet eens zozeer op aan dat alle collega’s ook massaal gaan studeren. Nee, het onderzoek heeft al een bredere uitwerking als een groep collega’s zijn voordeel kan doen met de uitkomsten. Als ik onderzoek ga doen naar de oorzaak van de slechte prestaties van de leerlingen in de onderbouw van het Havo en het VWO bij het vak Duits, kunnen ook de collega’s Frans en (weliswaar in mindere mate) Engels daar hun voordeel mee doen. Mijn onderzoek richt zich immers niet alleen op mijn les en mijn leerlingen, maar probeert uit kennis over het puberbrein en psychologische leerprocessen mogelijkheden en grenzen van vreemde taalverwerving door jongeren te destilleren. Inzicht in wat de hersenen van een jongere wel en niet kunnen verwerken maakt het voor de leerkracht mogelijk om maatwerk te leveren in het aanbod van de leerstof. Dat lijkt me uiterst wenselijk in een tijd waarin er zoveel aandacht is voor op de leerling toegesneden onderwijs - laten we dan ook het ‘normale’ onderwijs voor ‘normale’ leerlingen zo passend mogelijk maken! Een bijkomend voordeel van deze vorm van passend onderwijs is dat leerlingen betere leerprestaties neerzetten en de leerkracht eer van en plezier in zijn werk heeft!
overheid is goed bezig
Concluderend is te zeggen, dat de voordelen van onderzoek door leerkrachten op verschillende niveaus zichtbaar zijn. Op microniveau hebben we te maken met een docent die zich intellectueel uitgedaagd voelt en door zijn onderzoek naar problemen uit de praktijk meer grip krijgt op de eigen werkzaamheden. Een leerkracht die zich goed voelt bij wat hij doet zal minder snel uitvallen en wellicht zijn carrière in het onderwijs tot aan het pensioen volhouden. Een niveau hoger bekeken kunnen we vaststellen dat onderzoek door docenten impulsen geeft aan de ontwikkelingen binnen scholen en schoolverbanden. Een school kan zich steeds duidelijker gaan profileren door zeer bewust en weloverwogen vorm te geven aan het onderwijs, door een visie te formuleren die in de praktijk omgezet kan worden zodat ouders en leerlingen echt merken waar deze school voor staat. Op macroniveau tenslotte kan wel gesteld worden dat onderzoek door de praktijkdeskundige binnen de school het Nederlandse onderwijs in de breedste zin ten goede komt. We zijn er als Nederlanders met ons allen bij gebaat dat het onderwijs goed is, zijn problemen van binnenuit kan oplossen en gegeven wordt door leerkrachten die betrokken en verantwoordelijk zijn. De overheid is dus goed bezig als ze de aanwezige expertise stimuleert en faciliteert.