Ga direct naar
Inhoud

Theoretisch kader

Het lectoraat Onderwijs en identiteit richt zich in het werk op de persoon van de christelijke leraar. We beschouwen de leraar als één van de belangrijkste 'dragers' van de levensbeschouwelijke identiteit van de school. Een christelijke leraar geeft immers vanuit zijn levensovertuiging gestalte aan zijn beroep: in zijn houding en handelen komen impliciet en expliciet zijn opvattingen en beelden naar voren.

In ons spreken en nadenken over christelijk leraarschap keren begrippen als inspiratie, spiritualiteit, vorming en (professionele) identiteit telkens terug. In het theoretisch kader zijn deze begrippen nader toegelicht en met elkaar in verband gebracht. Het volledige theoretisch kader is beschikbaar als PDF-document [339 kB]. Op deze pagina worden de verschillende begrippen kort omschreven. 

Inspiratie
Het begrip inspiratie heeft enerzijds betrekking op geïnspireerd zijn en worden en anderzijds op inspirerend zijn (voor leerlingen). Een leraar die geïnspireerd is, is iemand met een drive, een missie, iemand die ergens voor gaat. Zijn inspiratie geeft richting aan zijn dagelijks handelen. Een leraar die inspirerend is, is iemand die iets van zijn gedrevenheid weet over te dragen op leerlingen en bij leerlingen inspiratie bewerkt.

Spiritualiteit
Nauw verwant aan ‘inspiratie’ is het brede begrip ‘spiritualiteit’. Uit woordanalyses blijkt dat spiritualiteit een centrale aanduiding is voor de manier waarop men in het leven staat. Het zegt iets over:

  • de grondhouding die men heeft;
  • de gedrevenheid of bezieling die men heeft;
  • de bronnen die men daarvoor heeft;
  • en de overtuigingen die men zich eigen heeft gemaakt.

Deze aspecten zijn ook terug te vinden in de omschrijving die De Muynck (2008) geeft. Wel voegt hij er nog aan toe dat spiritualiteit betrekking heeft op het concrete leven. Bij spiritualiteit gaat het – volgens De Muynck (2008, p. 73) – om het verbinden van ervaringen van inspiratie en/of transcendentie met het concrete leven. Ook wijst De Muynck erop dat spiritualiteit niet alleen betrekking hoeft te hebben op religieuze ervaringen. Hij maakt daarom onderscheid tussen beroepsspiritualiteit en religieuze spiritualiteit. Beroepsspiritualiteit heeft vooral te maken met het werk voor de leerlingen, terwijl religieuze spiritualiteit raakt aan de geloofsovertuigingen en -ervaringen.

Aangezien we ons bezig houden met ‘christelijk geïnspireerd en inspirerend leraarschap’ is het begrip ‘spiritualiteit’ om twee redenen van belang. Het wijst ons namelijk op de diepste inspiratie en motivatie van leraren om zich aan het vak van leraar te wijden, terwijl het tevens duidelijk maakt dat het uiteindelijk gaat om de verbinding hiervan met het concrete leven. Het begrip ‘spiritualiteit’ maakt aldus verbinding tussen ‘geïnspireerd zijn’ en ‘inspirerend zijn’.

Vorming
Als we het hebben over de vorming van leraren dan gaat het om de persoon, de grondhouding en de waarden van de leraar. We kunnen het vormingsproces van leraren omschrijven als een proces waarin de (toekomstige) leraar zich waarden of overtuigingen eigen maakt (of: zich een grondhouding verwerft) die bepalend zijn voor de wijze hoe hij zich verhoudt ten opzichte van anderen respectievelijke het andere (leerlingen, collega’s, ouders, leerstof, opvattingen, etc.). Hoe de leraar in het leven staat, welke waarden hij huldigt en vanuit welke grondhouding hij de ander en de hem omringende wereld tegemoet treedt, komen in zijn leraarschap tot uitdrukking.

Gedurende het vormingsproces zijn er tal van actoren en factoren werkzaam die afzonderlijk en in samenhang invloed uitoefenen op de (toekomstige) leraar. Ze zijn van invloed op de waarden die hij zich eigen maakt en van waaruit hij zich gaat verhouden tot de wereld waarin hij staat. Hij ontwikkelt een grondhouding van waaruit hij deze wereld tegemoet treedt en antwoord geeft op de vragen waarvoor hij gesteld wordt. Ten aanzien van de actoren en factoren kunnen we denken aan ouders en mede-opvoeders, vrienden, partner, docenten, mentoren, collega’s, gezinsklimaat, de schoolcultuur, personeelsbeleid. Deze (f)actoren zijn op expliciete of impliciete wijze dragers van waarden.

Professionele identiteit
De beroeps- of professionele identiteit van de docent verwijst naar het zelfbeeld van de leraar. Onder professionele identiteit verstaan Klaassen, Beijaard en Kelchtermans (1999) het geheel aan relatief duurzame opvattingen en reflectiepatronen (hoe de leraar naar zichzelf kijkt) op het beroepsmatig handelen en het bijbehorend zelfbeeld. De beroepsidentiteit van de leraar is dynamisch en ontwikkelt zich, als onderdeel van de persoonlijke identiteit, via deelneming aan de desbetreffende beroepspraktijk. Hoe een leraar zich ziet en de opvattingen die hij over zichzelf heeft, verandert in de loop van de tijd. Die verandering kan plaatsvinden door min of meer toevallige gebeurtenissen en ervaringen of door reflectie en bijstelling.

Vorming van aanstaande leraren heeft niet alleen betrekking op de ontwikkeling van een professionele identiteit, maar is als het goed is ook van invloed op de persoon (of het zijn) van de leraar. Vorming van de persoon en de professionele identiteit zijn beide van belang in het creëren van de juiste condities voor inspiratie.
Wanneer we het hebben over de persoon van de leraar, dan bedoelen we daarmee niet alleen die aspecten die te maken hebben met motieven, overtuigingen en behoeften, maar ook met eigenschappen als creativiteit, openness, sensitiviteit, presentie. Het gaat bij deze laatste begrippen om tamelijk stabiele persoonlijkheidskenmerken, die wel enigermate ontwikkelbaar zijn. Iemand kan bijvoorbeeld van nature gewend zijn zich gereserveerd op te stellen in onbekende situaties, maar toch een houding ontwikkelen waarin hij zijn gereserveerdheid overwint en zich bewust openstelt.





Snelkoppelingen